In het voetspoor van vrijdenker en vrijmetselaar Georg Schmiedl

Een annonieme advertentie

Rond 23 maart 1895 verscheen er driemaal een anonieme advertentie in de Weense Arbeiter-Zeitung, waarin natuurvrienden met belangstelling voor gezamenlijke bergwandeltochten worden uitgenodigd hun adresgegevens aan de krant op te geven. De advertentie heeft door zijn discretie bijna iets conspiratiefs. Dat had alles te maken met het restrictieve verenigingsrecht in de Habsburg-monarchie in die dagen. Voor de oprichting van een politiek getinte vereniging waren de nodige belemmeringen opgeworpen. De overheid eiste de adresgegevens van de leden op, vergaderingen dienden vooraf aangemeld te worden, zodat staatsverklikkers erop toe konden zien, dat er tijdens de bijeenkomsten geen onvertogen woord viel. Verenigingsinsignes mochten niet zichtbaar gedragen worden. Voor vrouwen was het lidmaatschap verboden.

Geen behoefte aan kritische arbeiderskinderen

 

Het initiatief voor deze bescheiden advertenties in de Arbeiter-Zeitung kwam van Georg Schmiedl (1855-1929), één van de eerste socialistische schoolmeesters van Wenen. Hij gaf les aan een Volksschule voor kinderen in de leeftijd van 6 tot 14 jaar. Ondanks de leerplicht was kinderarbeid vooral voor de wat oudere leerlingen geen uitzondering. Vanuit het leger werd aangedrongen op een betere handhaving van de leerplicht en op meer aandacht voor lichamelijke oefening, omdat het met onbruikbare rekruten met een zwakke gezondheid werd geconfronteerd. Op de Volksschule leerden de arbeiderskinderen in eerste instantie lezen en schrijven. Met elke dag een uur godsdienst en het zingen van vaderlandslievende en religieuze liederen was het onderwijsprogramma er vooral op gericht loyale, katholieke onderdanen te kweken. De heersende klasse had geen behoefte aan kritische, zelfstandig handelende arbeiderskinderen.

Via de berghut wilde Schmiedl van nietsnutten, goedgemutste, tevreden en nuttige mensen maken

Wandeltochten om waarnemingsvermogen en gemeenschapszin te bevorderen
In 1887 richtten liberalen en sociaaldemocraten in Wenen de Vereniging der Confessielozen op. De leden van deze vrijdenkersvereniging engageerden zich voor de scheiding van kerk en staat. Verplicht politiek-ideologisch geladen godsdienstonderwijs hoorde in hun visie geen onderdeel te zijn van het leerplan. Vanuit hun humanistische levensbeschouwing waren zij ook tegenstander van het kerkelijke huwelijk. Kort na de oprichting gaf Schmiedl voor deze vrijdenkersvereniging een lezing over de noodzaak van een nieuwe wereldbeschouwing. Dat leverde hem als staatsdienaar een officiële berisping op. Met zijn leerlingen maakte Schmiedl lange wandeltochten om hun waarnemingsvermogen, hun gemeenschapszin en hun zelfstandigheid te bevorderen, ook zonder de instemming van zijn meerderen en zijn collega’s. Daarnaast verdiepte hij zich in de natuurwetenschap, werkte hij in musea en laboratoria en maakte hij studiereizen om zich verder te bekwamen voor zijn taak als leraar. In zijn pedagogische aanpak kregen natuur, techniek en handvaardigheid veel aandacht. In zijn visie moest het onderwijs niet uitsluitend op het verwerven van cognitieve vaardigheden gericht zijn, maar vooral op de toepassing ervan in praktijkruimten en werkplaatsen. Onderwijs op basis van de natuurlijke nieuwsgierigheid van leerlingen moest tot motivatie voor de gang naar school bij dragen. Met Goethe hechtte hij grote waarde aan het verrichten van praktische activiteiten.

Het eregraf voor Georg Schmiedl op het urnenveld bij het crematorium in Wenen. Het opschrift luidt: ‘Een goedmoedige, onvermoeibare strijder voor licht, menselijkheid en sociale rechtvaardigheid.’

De verheffing van de mens
Schmiedl nam het effect van lange wandeltochten waar op lichaam en geest van zijn leerlingen. Dat bracht hem op het idee om op zondag wijdingsavonden voor volwassenen te organiseren. Met contemplatie, zang, muziek en recitaties bood hij de deelnemers een alternatief voor de gang naar de kroeg. Zijn achterliggende motief was het proletariaat te verheffen. Dat idee van de verheffing van de mens is geworteld in de vrijmetselarij. Schmiedl had zich bij de Goethe-loge in Pressburg (Bratislava) aangesloten. In het katholieke Wenen zelf waren vrijmetselaarsbijeenkomsten om politieke en religieuze reden tot 1918 verboden, waarbij mogelijk ook antisemitische motieven een rol speelden. Het zestig kilometer verderop gelegen Pressburg viel onder het tolerantere Hongaarse verenigingsrecht. De “grensloges” in Pressburg mochten in Wenen wel ondergeschikte charitatieve verenigingen oprichten, zoals de antiklerikale “Freie Schule” in de Albertgasse, waar Georg Schmiedl als leraar was aangesteld. Daarnaast waren de vrijmetselaars in Wenen actief voor diverse niet kerkelijke charitatieve doelen. Ook tussen de sociaaldemocratie en de vrijmetselarij waren er kruisverbanden. Diverse prominente sociaaldemocraten in Wenen waren vrijmetselaar. Zo ook Karl Renner, de latere president van Oostenrijk, die aan de wieg stond van de Natuurvriendenbeweging. Schmiedl opereerde als initiator voor de Touristenverein “Die Naturfreunde” bewust op de achtergrond, omdat een bestuursfunctie in die sociaaldemocratisch georiënteerde vereniging niet te verenigen was met zijn functie van leraar. Hij was al een keer berispt en zijn promotie tot hoofdonderwijzer was lang tegen gehouden.

De loodrei, het symbool van de vrijmetselarij.

Maakbaarheid
De vrijmetselarij gaat uit van broederlijkheid en gelooft in de maakbaarheid van de mens als middel om tot een betere samenleving te komen. Vertaald naar de Natuurvriendenbeweging opent de gezamenlijke natuurbelevenis de weg naar de betere mens. Daarnaast draagt maatschappelijk engagement bij tot hervorming van de samenleving. De kernwaarden voor de vrijmetselaars zijn daarbij: Vrijheid, Gelijkheid, Broederlijkheid, Tolerantie en Menselijkheid. In feite zijn dat de idealen van de verlichting, evenals het idee van de scheiding van kerk en staat. De loodrei – een voorloper van de waterpas – is het symbool van de vrijmetselarij in combinatie met 2 ineengeslagen handen. Deze symbolen staan voor rechtvaardigheid en broederlijkheid. De ineengeslagen handen werden – op identieke wijze weergegeven – in het embleem van de Sociaaldemocratische Partij in Oostenrijk en in dat van de Natuurvrienden. Ook de kernwaarden Vrijheid, Gelijkheid en Broederlijkheid werden overgenomen.

Berghut als middelpunt
De viering van het 25-jarig bestaan van de Natuurvriendenbeweging in 1920 greep Schmiedl aan om in het ledenblad Der Naturfreund prijs te geven, wat hem in 1895 tot zijn initiatief had bewogen: ‘Zelf lid van een grote bergsportvereniging, nam ik met leedwezen waar, dat onze arbeiderbroeders hun vrije tijd in de rokerige ruimten van taplokalen doorbrachten met kaartspel en overmatige alcoholconsumptie, om met een lege knip en kwetsbaar gemoed op maandag of dinsdag de gebruikelijke uitbuiting weer te ondergaan. Deze arbeidsdieren tot werklieden om te vormen, leek mij een steeds dringender opgave, ook al omdat het mij steeds duidelijker voor ogen stond, dat de strijd voor de nieuwe mensheididealen met de slaven van het bierglas, van het kaartspel en de kegelbaan niet gevoerd zou kunnen worden.’ Met de berghut als middelpunt van culturele, gezondheid bevorderende, maatschappelijke en ‘ziel helende’ activiteiten wilde Schmiedl van nietsnutten, goedgemutste, tevreden en nuttige mensen maken: ‘Ons handelen moet vanuit het gezichtspunt beoordeeld worden, of het heeft bijgedragen tot de veredeling van ´ons´ geslacht´ en tot ´verheffing van het cultuurniveau´ in volkspedagogische zin.’

‘Volksontwikkelings’-ambitie
Met ‘volkspedagogie’ werd het idee van een bevrijdende, emancipatorische pedagogiek bedoeld als tegenstelling tot de ‘oude’ kapitalistische en onderdrukkende onderwijspraktijk. Kinderen dienden zich binnen de Natuurvriendenbeweging te ontwikkelen tot mondige en geëngageerde burgers, in staat om de maatschappij te transformeren. Dit idee ligt nog steeds besloten in de ‘volksontwikkelings’-ambitie, die wij in de naam van onze vereniging belijden. Schmiedl staat ‘de moderne mens’ voor ogen. Hij besluit met: ‘Zo werken wij aan de ontwikkeling van de individu en van het collectief.’